Het Beslissende Kwartier Treinkaping bij De Punt: de bestorming in 1977 Historisch moment: 11 juni 1977 https://hetbeslissendekwartier.nl/afleveringen/de-treinkaping-bij-de-punt-de-ochtend-dat-de-mariniers-gingen.html Transcript (op basis van het script) Deze leesversie is gebaseerd op het afleveringsscript. De tekst is niet woordelijk gecontroleerd tegen de uiteindelijke audio. Regieaanwijzingen en productienotities zijn weggelaten. De Punt, elf juni negentienzevenenzeventig. Het begint licht te worden boven de weilanden van Drenthe. De nacht is bijna voorbij. In een tot stilstand gebrachte intercitytrein op de lijn van Assen naar Groningen zitten al twintig dagen negen jonge Zuid-Molukkers met wapens. Acht mannen en een vrouw. Tegenover hen: eenenvijftig mensen die niet weg kunnen. In de velden rondom de trein liggen mariniers plat op de grond. Ze wachten op één woord. In het dorp Bovensmilde staan op datzelfde moment pantserwagens klaar voor een tweede actie. Twee gijzelingen, één ochtend, één besluit. Boven, in de lucht, naderen zes straaljagers. Dit is Het Beslissende Kwartier, de bestorming bij De Punt. Om te begrijpen wat er die ochtend gebeurde, moet je weten wie er in die trein zaten en wat hen dreef. De negen kapers waren jong. De jongste zeventien, de oudste zevenentwintig. Hun leider was Max Papilaja. Onder hen was één vrouw: Hansina Uktolseja, die tot kort daarvoor in Assen werkte als tandartsassistente. Ze waren kinderen en kleinkinderen van Molukse militairen. Hun ouders hadden gediend in het KNIL, het koloniale leger, en kwamen na de Indonesische onafhankelijkheid in een onmogelijke positie terecht. In negentieneenenvijftig werden ze naar Nederland gebracht, met de gedachte dat het tijdelijk zou zijn. Er was de belofte van een eigen staat, de Republiek der Zuid-Molukken. Die belofte werd nooit ingelost. De republiek kwam er niet. Voor de gezinnen raakte een terugkeer steeds verder weg. De generatie die in Nederland geboren werd, erfde die belofte en die teleurstelling allebei. Bij een deel van hen sloeg dat om in iets hards. In negentienvijfenzeventig kaapten Molukse jongeren al een trein, bij Wijster. Daarbij vielen doden. Ook het Indonesische consulaat in Amsterdam werd bezet. Op drieëntwintig mei negentienzevenenzeventig was het opnieuw zover. De eis: een onafhankelijke Republiek der Zuid-Molukken, en vrijlating van eenentwintig Molukse gevangenen. Twintig dagen lang was die trein het middelpunt van een nationale crisis. En niet alleen die trein. Op dezelfde dag werd een basisschool in Bovensmilde bezet, met de kinderen erin. Twee gijzelingen tegelijk. Die opzet keerde zich tegen de kapers. In de school werden de kinderen ziek, en na onderhandelingen lieten de gijzelnemers hen gaan. De schoolgijzeling liep daarmee eerder leeg. Maar de trein bij De Punt bewoog niet. De regering Den Uyl koos eerst voor praten. Er werd onderhandeld, dagenlang, zonder resultaat. Want de eisen waren onhaalbaar. De kapers wilden erkenning van een Republiek der Zuid-Molukken die niet bestond, en de vrijlating van gevangenen. Ondertussen liep de spanning in de trein op. Mensen werden ziek. Enkele dagen voor de bestorming mochten drie passagiers de trein verlaten. Een van hen was Annie Brouwer-Korf, juriste bij het Academisch Ziekenhuis Groningen, drie maanden zwanger. Zij zou later gemeenteraadslid en wethouder in Nijmegen worden, en daarna burgemeester van Zutphen, van Amersfoort en van Utrecht. Voor de eenenvijftig die achterbleven duurde het wachten voort. En in Den Haag groeide het besef dat praten alleen nergens meer toe leidde. De beslissing om in te grijpen was geen opwelling. Het kabinet-Den Uyl was op dat moment demissionair. Een regering die formeel al op weg was naar de uitgang, moest het zwaarste besluit nemen dat een Nederlandse regering kan nemen: geweld gebruiken tegen mensen op eigen grondgebied. In het crisisteam zaten minister-president Joop den Uyl. Minister van Justitie Dries van Agt, zesenveertig, die voorstander was van een harde aanpak. Minister van Binnenlandse Zaken Gaius de Gaay Fortman, zesenzestig. En minister van Buitenlandse Zaken Max van der Stoel. Er werd hoofdelijk gestemd. Ieder lid van het crisisteam moest zich uitspreken, met naam, voor of tegen een militaire bestorming. Een meerderheid stemde voor. Twintig dagen onderhandelen waren voorbij. De uitvoering ging naar de Bijzondere Bijstandseenheid van de Mariniers, de BBE. Die eenheid was precies hiervoor opgeleid. En de voorbereiding was minutieus. Afluisterapparatuur registreerde wat er in de wagons werd gezegd. Warmtebeeldcamera's lieten zien waar mensen zich bevonden, en dus ook waar de kapers sliepen en waar de gijzelaars lagen. Maar er bleef één probleem. Hoe verras je negen gewapende mensen in een trein die al twintig dagen omsingeld is? Het antwoord kwam uit de lucht. Zes Starfighters van de Koninklijke Luchtmacht zouden rakelings over de trein vliegen. Laag, snel, en oorverdovend. Tegelijk zouden naast het spoor explosieven tot ontploffing worden gebracht, om de indruk te wekken dat er bommen werden gegooid. Geen aanval, maar chaos. Enkele seconden waarin niemand in die trein zou weten wat er gebeurde. Om tien voor vijf werd bevestigd dat de situatie in de trein onveranderd was. De kapers sliepen, en de mariniers wisten waar. Om vier uur vierenvijftig openden de precisieschutters het vuur. De Starfighters kwamen over. De grond trilde. In de wagons sloeg het geluid als een muur naar binnen. En op de compartimenten waar de kapers zich vermoedelijk bevonden, richtten scherpschutters en mitrailleurschutters zwaar vuur. Vrijwel meteen daarna gingen de mariniers naar binnen. Ze bestormden de trein. De hele bevrijdingsactie in de trein duurde ongeveer twaalf minuten. Zes van de negen kapers waren dood, onder wie hun leider Max Papilaja en Hansina Uktolseja. Drie overleefden en werden aangehouden. En er waren twee gijzelaars omgekomen. Ansje Monsjou, die lag te slapen in een portaal van de trein. En Rien van Baarsel, veertig jaar oud, die overeind kwam op het moment dat een marinier op een kaper schoot. Op datzelfde uur beukten in Bovensmilde pantserwagens op drie plaatsen de school binnen. Daar gaven de gijzelnemers zich over zonder één schot te lossen. Even tussendoor. Vind je dit een interessante podcast? Abonneer je dan via Spotify, Apple Podcasts of waar je ook luistert. En heb je een vraag, opmerking of suggestie voor een aflevering? Mail ons: 15minuten@doorzetters.net. De overlevende gijzelaars werden de trein uitgeleid. Uitgeput, verward, en overweldigd door het daglicht. Twintig dagen opgesloten, en dan opeens lucht en ruimte. De eerste hulptroepen waren snel ter plaatse. Negenenveertig mensen kwamen levend uit die trein. Twee medepassagiers niet. De zes omgekomen kapers werden samen begraven op begraafplaats De Boskamp in Assen. Over Hansina Uktolseja zou zelfs jaren later nog onduidelijkheid bestaan: het ene onderzoek sprak van acht kogels, het andere van honderdachtentwintig. De drie overlevende kapers werden aangehouden. Een van hen was Junus Ririmasse. Hij overleefde de bestorming zwaargewond. Decennia later werkte hij mee aan een boek over wat er die ochtend precies was gebeurd, samen met onderzoekers, gebaseerd op autopsierapporten en documenten die lang niet openbaar waren. De man die in die trein zat, werd uiteindelijk een van de mensen die reconstrueerden hoe het was afgelopen. Want daar bleef het niet bij. De vragen over die twaalf minuten verstomden nooit. De kern van de controverse was dit: waren alle zes kapers gedood terwijl ze vochten? Of waren sommigen van dichtbij doodgeschoten nadat ze al waren uitgeschakeld? Het onderzoek naar de kogels voedde die twijfel. Rien van Baarsel bleek door zes kogels te zijn geraakt, waaronder een negen millimeter kogel die uit geen enkel wapen van de kapers afkomstig was. Hij was dodelijk getroffen door het vuur van een marinier die op een gijzelnemer richtte. En de vader van Ansje Monsjou, zelf oud-militair, hield de mariniers verantwoordelijk voor de dood van zijn dochter. Ze hadden het vuur geopend op het portaal waar zij lag te slapen, terwijl ze via warmtebeeldcamera's en afluisterapparatuur hadden kunnen weten dat daar een gegijzelde was. Nabestaanden van twee gedode kapers stapten naar de rechter. In november tweeduizendzestien diende de zaak in Den Haag. Op vijfentwintig juli tweeduizendachttien oordeelde de rechtbank dat de Nederlandse staat niet aansprakelijk was. In hoger beroep, in tweeduizendeenentwintig, bleef dat oordeel staan. Een archiefonderzoek uit tweeduizendveertien concludeerde dat de militairen binnen hun geweldsinstructies hadden gehandeld. De rechters oordeelden dat er geen heimelijke opdracht was geweest om geen enkele kaper te laten overleven. Toch bleef het ongemak. Tijdens de rechtszaak las de rechter transcripten voor van geluidsopnamen die tijdens de actie waren gemaakt. Wat daarop te horen was, klonk niet als een gevecht dat uit de hand liep, maar als mannen die onder elkaar vaststelden wat er gebeurd was. Zinnen als "schiet hem neer, die vent", gevolgd door de vraag of iemand dood was. En iemand die lacht. Een oud-marinier, die niet bij de trein was maar wel bij de school in Bovensmilde, verwoordde de logica van de eenheid later zonder omhaal: "Wij zijn killers. Als je ons inzet, wordt doden ingecalculeerd, anders bel je de politie." Dat is misschien wel de kern van het ongemak. De staat had precies gekregen waar hij om vroeg toen hij deze eenheid inzette. Wat juridisch is beslist, voelt daarmee nog niet als afgesloten. Voor de nabestaanden aan beide kanten bleven de vragen knagen. Wat als de regering had gekozen voor meer geduld? Voor nog een week praten, nog een poging via de tussenpersonen? Die vraag is vaak gesteld, en er is geen schoon antwoord. Twintig dagen onderhandelen hadden niets opgeleverd. Van Agt zei het na afloop zo: "Ik verzoek u te geloven dat het niet anders kon." Maar er is een grotere vraag dan de tactische. De kaping bij De Punt kwam niet uit het niets. Ze was de uitkomst van decennia beleid tegenover een gemeenschap die naar Nederland was gehaald met een belofte die nooit werd nagekomen. Den Uyl zei na afloop dat het de zorg van de regering was dat de Zuid-Molukse gemeenschap in Nederland als gelijkwaardige burgers zou kunnen leven, onder dezelfde wetten en dezelfde spelregels als iedereen. Dat is precies de erkenning waar het al zesentwintig jaar aan ontbroken had. Ze kwam op de ochtend na acht doden. De regering die dit besluit nam, was er zelf binnen zeven maanden niet meer. Op negentien december negentienzevenenzeventig trad het kabinet-Den Uyl af en werd Dries van Agt minister-president. De man die had aangedrongen op de harde aanpak, leidde het land dat daarna verder moest met de gevolgen. De bestorming maakte een einde aan de crisis. Ze maakte geen einde aan de oorzaak. Straaljagers en mariniers kunnen een trein bevrijden. Ze kunnen geen gebroken belofte herstellen. Twaalf minuten. Negenenveertig mensen die vrijkwamen, acht die stierven, en een land dat er decennialang niet over uitgepraat raakte. Vond je deze aflevering de moeite waard? Like, abonneer en deel de podcast met iemand die dit ook moet horen. Je vindt ons op Spotify, Apple Podcasts en alle andere podcastplatformen. Suggesties voor nieuwe afleveringen? Mail 15minuten@doorzetters.net. Dit was Het Beslissende Kwartier, vijftien minuten die alles veranderden. Mijn naam is Julius van Rossum. Er is altijd een volgend beslissend kwartier.