Het Beslissende Kwartier World Wide Web: Tim Berners-Lee lanceert het web (1991) Historisch moment: 6 augustus 1991 https://hetbeslissendekwartier.nl/afleveringen/het-web-dat-niemand-wilde.html Transcript (op basis van het script) Deze leesversie is gebaseerd op het afleveringsscript. De tekst is niet woordelijk gecontroleerd tegen de uiteindelijke audio. Regieaanwijzingen en productienotities zijn weggelaten. CERN, Genève, Zwitserland. Zes augustus negentieneenennegentig. Ergens in de loop van de dag. In een onopvallend kantoor, ergens in het labyrint van gangen van het grootste deeltjesversnellercomplex ter wereld, zit een Britse computerwetenschapper achter zijn NeXT-werkstation. Buiten schijnt de Zwitserse zomerzon over het Meer van Genève. Binnen gloeit het scherm met groene letters op zwart. Tim Berners-Lee staart naar een tekstveld. Hij heeft net een kort bericht getypt. Geen bijzondere opmaak. Geen afbeeldingen. Alleen woorden die uitleggen hoe je software kunt downloaden van een server in Genève. Het is een routinehandeling. Een aankondiging op een internetnieuwsgroep die misschien een paar honderd mensen zullen lezen. Nerds. Academici. Technici die geïnteresseerd zijn in iets dat hypertext heet. Hij drukt op enter. En op dat moment, zonder fanfare, zonder persbericht, zonder dat iemand het doorheeft, verandert de wereld voorgoed. Dit is Het Beslissende Kwartier. De uitvinding die alles veranderde, en bijna niet gebeurde. Om te begrijpen wat er die dag gebeurt, moeten we terug naar het probleem dat Tim Berners-Lee probeert op te lossen. CERN is in negentieneenennegentig het epicentrum van de deeltjesfysica. Duizenden wetenschappers uit tientallen landen werken hier samen aan experimenten die de fundamentele bouwstenen van het universum moeten onthullen. Ze komen uit Japan, de Verenigde Staten, heel Europa. Ze gebruiken verschillende computers, verschillende besturingssystemen, verschillende programma's. En ze kunnen hun onderzoeksgegevens niet delen. Dat klinkt absurd. Het internet bestaat al. E-mail werkt. Bestanden kunnen worden verstuurd. Maar elke computer spreekt zijn eigen taal. Informatie zit opgesloten in systemen die niet met elkaar communiceren. Een natuurkundige in Genève kan niet zomaar bij de data van een collega in Stanford. Berners-Lee ziet dit probleem elke dag. Hij is een natuurkundige van opleiding, hij is software-ingenieur. Zijn taak is om systemen te bouwen die onderzoekers helpen. En hij ziet dat het huidige systeem fundamenteel kapot is. In maart negentiennegenentachtig schrijft hij een voorstel. De titel: Information Management, A Proposal. Zijn baas schrijft in de kantlijn: vaag, maar spannend. Het idee van Berners-Lee is niet volledig nieuw. Hypertext, de techniek om documenten aan elkaar te koppelen via klikbare links, bestaat al decennia. Het internet, het wereldwijde netwerk van computers, is al operationeel. Domeinnamen zijn uitgevonden. Bestandsoverdracht werkt. Wat Berners-Lee doet, is combineren. Zoals hij later zelf zegt: alles was al uitgevonden. Ik moest enkel het idee van hypertext combineren met het Transmission Control Protocol en een domeinnaamsysteem. In november negentiennegentig krijgt hij hulp. De Belgische ingenieur Robert Cailliau helpt hem het voorstel te formaliseren voor een hypertextproject genaamd WorldWideWeb. Ze geven hun project een naam. WorldWideWeb. Afgekort W3. Tegen Kerstmis negentiennegentig heeft Berners-Lee de eerste versie werkend gemaakt. Op zijn NeXT-computer draait een programma dat tegelijkertijd browser en editor is. Je kunt ermee door documenten navigeren via links. Je kunt er ook mee schrijven. De eerste webserver staat in hetzelfde kantoor. Het adres: info.cern.ch. De allereerste website ter wereld is een pagina die uitlegt wat het World Wide Web is. Maar niemand buiten CERN weet dat het bestaat. Die dag van zes augustus negentieneenennegentig, op een onbekend tijdstip, opent Berners-Lee zijn Usenet-client. Hij navigeert naar de nieuwsgroep alt.hypertext. Een kleine gemeenschap van onderzoekers en hobbyisten die geïnteresseerd zijn in systemen voor het koppelen van documenten. Hij begint te typen. Het bericht is zakelijk. Geen grote woorden over revolutie of de toekomst. Berners-Lee beschrijft simpelweg dat er bij CERN een project bestaat genaamd WorldWideWeb. Hij legt uit dat het een manier is om informatie te organiseren via hypertext. Hij geeft instructies voor het downloaden van de software. Een korte post over een project genaamd WorldWideWeb. Dit is het moment. Niet het moment waarop de technologie wordt uitgevonden, want dat is maanden eerder gebeurd. Dit is het moment waarop de technologie de wereld in gaat. Waarop iedereen met een internetverbinding, in principe, toegang krijgt tot iets dat de menselijke communicatie voorgoed zal veranderen. Berners-Lee drukt op verzenden. Het bericht verdwijnt het netwerk in. De reacties zijn, mild gezegd, bescheiden. Alt.hypertext heeft misschien een paar honderd actieve lezers. De meesten zijn academici of technici bij grote onderzoeksinstellingen. Ze hebben al systemen voor hypertext. Sommige zijn geïnteresseerd. De meesten scrollen verder. Wat ze niet begrijpen, wat bijna niemand op dat moment begrijpt, is het fundamentele verschil. Bestaande hypertextsystemen zijn eilanden. Je kunt binnen één systeem van document naar document springen. Maar je kunt niet linken naar een document op een andere computer, in een ander land, beheerd door iemand anders. Het World Wide Web kan dat wel. Berners-Lee heeft drie technologieën bedacht die dit mogelijk maken. Haa-tee-em-el, een eenvoudige opmaaktaal voor documenten. Haa-tee-tee-pee, een protocol waarmee computers documenten bij elkaar kunnen opvragen. En joe-ar-el, een adressysteem dat elk document op elke computer een uniek adres geeft. Simpel. Elegant. En universeel. Als je het adres weet, kun je het document opvragen. Ongeacht waar je bent. Ongeacht welke computer je gebruikt. In de dagen na de aankondiging downloaden de eerste mensen buiten CERN de software. Het zijn er niet veel. Misschien tientallen. Ze installeren de line-mode browser, een versie die Nicola Pellow eerder dat jaar heeft geschreven en die op vrijwel elke computer werkt. Het is primitief. Alleen tekst. Geen afbeeldingen. Geen opmaak. Je typt een adres, je ziet een document, je klikt op een nummer om een link te volgen. Maar het werkt. In december negentieneenennegentig installeert het Stanford Linear Accelerator Center in Californië de eerste webserver buiten Europa. Een brug over de Atlantische Oceaan, gemaakt van niets anders dan code en telefoonlijnen. Begin negentientweeennegentig is de WWW-software bij CERN geëvolueerd van een vroeg prototype naar een bruikbare en betrouwbare dienst. De meeste staan bij universiteiten of onderzoeksinstellingen. De inhoud is technisch. Handleidingen. Onderzoeksdata. Telefoongidsen van instituten. Het web groeit. Langzaam. Gestaag. Nog steeds onzichtbaar voor de rest van de wereld. De echte doorbraak komt twee jaar later. In april negentienendrieënnegentig neemt CERN een besluit dat misschien belangrijker is dan de uitvinding zelf. De organisatie plaatst de World Wide Web-software in het publieke domein. Gratis. Royaltyvrij. Iedereen mag het gebruiken, aanpassen, verbeteren. Berners-Lee heeft hier zelf op aangedrongen. Hij weet dat een universeel systeem niet kan werken als iemand er eigenaar van is. De beslissing om het web open te maken was noodzakelijk om het universeel te maken, zegt hij later. Had de technologie propriëtair geweest, dan was het waarschijnlijk nooit van de grond gekomen. Datzelfde jaar komt Mosaic uit. De eerste browser die afbeeldingen kan tonen naast tekst. Plotseling is het web niet langer alleen voor technici. Het is visueel. Het is toegankelijk. Het is aantrekkelijk. Tegen het einde van negentienvierennegentig zijn er tienduizend webservers. Tien miljoen gebruikers. De exponentiële curve is begonnen. Er is een misverstand dat hardnekkig blijft bestaan. Mensen gebruiken de woorden internet en web alsof ze hetzelfde betekenen. Dat zijn ze niet. Het internet is de infrastructuur. Het netwerk van netwerken, kabels en servers dat computers over de hele wereld met elkaar verbindt. Het bestaat al sinds de jaren zestig, toen het Amerikaanse leger ARPANET ontwikkelde. Het World Wide Web is een dienst die over dat internet loopt. Net zoals e-mail een dienst is, of videoconferenties, of bestandsoverdracht. Wat Berners-Lee uitvond, was geen nieuw netwerk. Het was een nieuwe manier om informatie te organiseren en toegankelijk te maken op een netwerk dat al bestond. Die nuance is belangrijk. Want het verklaart waarom het web zo snel kon groeien. De infrastructuur lag er al. De computers waren al verbonden. Er hoefden geen kabels te worden gelegd, geen nieuwe hardware te worden gebouwd. Alleen software. Alleen ideeën. Alleen de bereidheid om die ideeën te delen. Er is een wereld waarin Tim Berners-Lee rijk wordt. Hij had patent kunnen aanvragen. Hij had licenties kunnen verkopen. Elke website ter wereld had hem royalties kunnen betalen. Hij zou een van de rijkste mensen op aarde zijn. Hij deed het niet. Mijn visie is gebaseerd op delen, niet op exploitatie, zegt hij. Het originele idee van het web was dat het een collaboratieve ruimte zou zijn waar je communiceert door informatie te delen. Die keuze, de keuze om het web weg te geven, bepaalt alles wat daarna komt. Het maakt innovatie mogelijk. Iedereen kan bouwen op de fundamenten die Berners-Lee heeft gelegd, zonder toestemming te vragen, zonder te betalen. Amazon. Google. Wikipedia. Facebook. Netflix. Ze bestaan allemaal omdat één man besloot dat sommige uitvindingen te belangrijk zijn om te bezitten. Vandaag zijn er meer dan een miljard websites. Meer dan vijf miljard mensen gebruiken het web. Het heeft revoluties mogelijk gemaakt en dictaturen versterkt. Het heeft kennis gedemocratiseerd en desinformatie verspreid. Het heeft mensen verbonden en verdeeld. Tim Berners-Lee, inmiddels geridderd door de Britse koningin, kijkt met gemengde gevoelens naar wat zijn uitvinding is geworden. Hij maakt zich zorgen over privacy, over machtsconcentratie, over de manier waarop grote bedrijven het open web hebben ingekapseld. Maar het fundament staat er nog. Haa-tee-em-el werkt nog steeds. Haa-tee-tee-pee draagt nog steeds de documenten. Elke joe-ar-el die je intypt, gebruikt de architectuur die hij in negentiennegentig bedacht. In een kantoor in Genève, op een zomerdag in negentieneenennegentig, drukt een zesendertigjarige Brit op enter. Een korte post verdwijnt het netwerk in, met instructies voor het verkrijgen van de software. Vijftien minuten. Dat was alles wat het kostte om de wereld te verbinden. Even tussendoor. Vind je dit een interessante podcast? Abonneer je dan via Spotify, Apple Podcasts of waar je ook luistert. En heb je een vraag, opmerking of suggestie voor een aflevering? Mail ons: 15minuten@doorzetters.net. Stel je een andere wereld voor. Een wereld waarin CERN besluit het web te patenteren. Waarin bedrijven licenties moeten kopen om websites te maken. Waarin elke klik een fractie van een cent kost. In die wereld groeit het web niet. Of het groeit anders. Misschien ontstaat er een lappendeken van incompatibele systemen, elk met zijn eigen eigenaar, zijn eigen regels, zijn eigen toegangsprijs. Er waren alternatieven voor het web. Gopher was er eerder. Propriëtaire diensten zoals CompuServe en AOL boden hun eigen gesloten netwerken aan. Ze hadden kunnen winnen. Ze verloren omdat het web gratis was. Omdat iedereen kon meedoen. Omdat de drempel om te beginnen nul was. De economische waarde van die beslissing om het web weg te geven is niet te berekenen. Biljoenen dollars aan bedrijven, banen, innovatie. Allemaal gebouwd op een fundament dat niemand bezit. Sommige uitvindingen zijn te belangrijk om eigendom te zijn. Het is ergens in de loop van de dag in Genève. Een Britse computerwetenschapper staart naar zijn scherm. Buiten schijnt de zon. Binnen gloeit tekst op zwart. Hij drukt op enter. Ergens in het netwerk begint een bericht aan zijn reis. Van server naar server, van continent naar continent. Een korte post die de wereld zal veranderen. Niemand merkt het. Geen persfotografen. Geen toespraken. Geen applaus. Alleen een stille kamer, een zoemende computer, en een man die opstaat om koffie te halen. De revolutie is begonnen. Dit was Het Beslissende Kwartier, vijftien minuten die alles veranderden. Mijn naam is Julius van Rossum. Er is altijd een volgend beslissend kwartier.