Het Beslissende Kwartier Krakersrellen: oorlog in de Vondelstraat in Amsterdam (1980) Historisch moment: 3 maart 1980 https://hetbeslissendekwartier.nl/afleveringen/oorlog-in-de-vondelstraat-de-krakersrellen.html Transcript (op basis van het script) Deze leesversie is gebaseerd op het afleveringsscript. De tekst is niet woordelijk gecontroleerd tegen de uiteindelijke audio. Regieaanwijzingen en productienotities zijn weggelaten. Amsterdam, drie maart negentientachtig. De Vondelstraat ligt nog in het donker. In een onopvallende dwarsstraat tussen de Overtoom en het Vondelpark heerst een ongemakkelijke stilte. Bij de kruising met de Eerste Constantijn Huygensstraat staan barricades. Metershoge wallen van straattegels, hekken, bouwmaterialen en uitgebrande bouwketen. Achter de barricades brandden tot diep in de nacht kampvuren. Bands speelden. Krakers en sympathisanten dronken bier, deelden brood, hielden de wacht. Dit is de Vondelvrijstaat, drie dagen oud. Maar nu zijn de kampvuren bijna uit. De stad slaapt nog. Alleen in de verte, vanuit de richting van de Overtoom, klinkt een ander geluid. Een geluid dat sinds de bevrijding niet meer in een Nederlandse stad is gehoord. Het lage, ratelende grommen van rupsbanden op asfalt. Vijf legertanks rijden Amsterdam binnen. Geen gewone tanks, maar pantsergenievoertuigen. Hun rupsen kunnen barricades platwalsen. Een helikopter cirkelt boven het Vondelpark. Anderhalfduizend agenten van de Mobiele Eenheid wachten in de zijstraten op het bevel om aan te vallen. Dit is Het Beslissende Kwartier. Het moment waarop Nederland zwaar militair materieel inzet tegen eigen burgers. Om te begrijpen waarom er op deze ochtend tanks door Amsterdam rijden, moeten we terug naar de woningnood. Amsterdam telt eind jaren zeventig vierenvijftigduizend officieel geregistreerde woningzoekenden. Jonge mensen, studenten, gescheiden ouders. Voor hen is er niets. Geen sociale huur, geen koopwoning. Wel staan er duizenden panden leeg. Eigenaren speculeren met huizen. Wachten op een hogere prijs. Slopen voor een parkeergarage. Verbouwen voor kantoren. In die kloof groeit een beweging. De kraakbeweging. Jonge mensen die zich in een leegstaand pand installeren, het schoonmaken, slapen op matrassen, een bel ophangen. De wet staat aan hun kant: kraken is in negentientachtig niet strafbaar, zolang een pand langer dan een jaar leeggestaan heeft. Het is een grijze zone, en in die grijze zone bloeit een tegencultuur op. Geen woning, geen kroning, zal hun leuze worden. Jullie rechtsorde is de onze niet, klinkt het al jaren. Amsterdam wordt het kloppend hart van de beweging. In de Nieuwmarktbuurt verzetten krakers zich in negentienvijfenzeventig tegen de metroaanleg. In de Nicolaas Beetsstraat wordt in negentienachtenzeventig een pand met geweld ontruimd. De confrontaties stapelen zich op. Eind negentiennegenenzeventig wordt het krakersbolwerk De Groote Keijser bezet. De gemeenteraadzaal wordt bestormd. De toon verhardt aan beide kanten. Vondelstraat tweeenzeventig staat al maanden leeg. Een statig hoekpand op de kruising met de Eerste Constantijn Huygensstraat. De eigenaar wil het verbouwen tot kantoren. Voor de krakers is dat genoeg reden om in te grijpen. Op zaterdag drieentwintig februari negentientachtig wordt het pand voor het eerst gekraakt. De Mobiele Eenheid komt vrijwel onmiddellijk. Het pand wordt binnen enkele uren ontruimd. Krakers nul, gemeente één. Maar de kraakbeweging laat het er niet bij zitten. Op vrijdagavond negenentwintig februari, een week later, herkraken ze het pand. Dit keer met veel meer mensen. Drie pelotons Mobiele Eenheid worden er naartoe gestuurd. En binnen tien minuten worden ze verjaagd. Drieenvijftig agenten raken gewond. Vijfentwintig moeten naar het ziekenhuis. Het is een vernedering voor de Amsterdamse politie zoals zelden vertoond. De krakers weten dat er wraak komt. Ze trekken hekken uit het Vondelpark, breken straattegels los, slepen bouwmaterialen aan. Binnen enkele uren staan er op de Eerste Constantijn Huygensstraat en de Overtoom barricades zo hoog als een man. De Vondelvrijstaat is geboren. Het weekeind van negenentwintig februari tot twee maart wordt een vreemd interbellum. Achter de barricades zitten honderden mensen. Kampvuren branden. Bands spelen. Radio Stad Amsterdam doet rechtstreeks verslag, uur na uur. De Vondelvrijstaat heeft zijn eigen feest, zijn eigen voedseluitdeling, zijn eigen voorzichtige democratie. Maar in het stadhuis aan de Oudezijds Voorburgwal zit burgemeester Wim Polak, vijfenvijftig jaar oud, zoon van Joodse middenstandouders, oorlogsoverlevende, met een onmogelijk dilemma. De rechtsorde moet hersteld. Maar hoe? De Mobiele Eenheid is verslagen. Extra ME-eenheden uit andere steden zullen ook tegen de barricades stuklopen. De stad zit in een patstelling. Iemand moet die doorbreken. Op zondagavond twee maart komt een crisisgroep bijeen op Schiphol. Polak is er. De hoofdofficier van justitie. De hoofdcommissaris van politie. Vertegenwoordigers van de ministeries van Justitie en Defensie. En per helikopter, opgehaald uit Friesland waar hij dat weekend verbleef, arriveert Hans Wiegel, achtendertig jaar oud, minister van Binnenlandse Zaken en vicepremier. De legende wil dat Wiegel, lichtjes vrolijk, tijdens de vlucht boven Amsterdam tegen de piloot zou hebben gezegd: wat vinden jullie ervan mannen, zullen we even over de Vondelstraat vliegen? In het overleg valt het besluit. Het leger zal worden ingezet. Niet met gewone tanks, maar pantsergenievoertuigen. Onbewapende voertuigen die barricades kunnen wegduwen. Een gerechtelijke fictie. Voor het eerst sinds negentienvijfenveertig zal Nederlands militair materieel optrekken tegen Nederlandse burgers. Het is maandag drie maart, vijf uur in de ochtend. Een buurtbewoner in Amsterdam-West wordt wakker. Hij hoort een geluid dat hij niet plaatsen kan. Een laag, mechanisch ratelen. Hij doet het raam open, kijkt naar buiten. Wat hij ziet kan hij eerst niet geloven. Tanks. Tanks die door Amsterdam rijden. Hij belt Radio Stad Amsterdam. Het signaal gaat de ether in. Binnen minuten verspreidt het nieuws zich. Krakers worden gewekt. Telefoons rinkelen. Sympathisanten stappen op de fiets richting de Vondelstraat. Maar het is te laat om er nog veel aan te veranderen. Vanaf zes uur trekt vanuit de Overtoom een colonne op. Vijf Leopard pantservoertuigen van de Koninklijke Landmacht, omgebouwd voor genie-werk. Daarachter en daaromheen vijftienhonderd agenten van de Mobiele Eenheid in volle uitrusting. Een helikopter cirkelt en strooit pamfletten over de Vondelvrijstaat. Op de pamfletten staat een waarschuwing. Er wordt gericht geschoten. En een andere zin, koel en zakelijk: de colonne eenmaal in beweging kan niet worden gestopt. Achter de barricades wordt de waarschuwing voorgelezen. Sommigen vluchten. Anderen blijven. Tweehonderd mensen, schatten de verslaggevers later. Ongeveer tweehonderd mensen die besluiten te blijven zitten. Niet om te vechten. Om te getuigen. Het is zeven uur in de ochtend wanneer de eerste drie pantsergenievoertuigen vanuit de Eerste Constantijn Huygensstraat de Vondelvrijstaat binnenrijden. De motoren brullen. De rupsbanden malen op het asfalt. De afstand tot de eerste barricade is twintig meter. Tweehonderd krakers en sympathisanten gaan op de grond zitten. Voor de barricades. Tussen de barricades. Een geweldloos gebaar, ontleend aan Gandhi, aan Martin Luther King. Een lichaam tegen een tank. Maar de tanks rijden door. Niet langzaam. Niet voorzichtig. Met aanzienlijke snelheid. Vijftien, twintig kilometer per uur, schatten ooggetuigen later. Op het laatste moment springen de meeste mensen aan de kant. Sommigen worden net gemist. Een enkeling blijft zitten. De tanks gaan over de barricades heen alsof ze van papier zijn. Hekken plooien. Straattegels splijten. Bouwketen kraken open. Binnen drie minuten ligt de Eerste Constantijn Huygensstraat open. Vanuit de zijstraten dringt de Mobiele Eenheid op. Er wordt geslagen, er wordt geschreeuwd, er wordt gevangen. Een vluchtende kraker rent het Vondelpark in. Een andere wordt tegen een muur gedrukt. Theo Temmink, zesentwintig jaar oud, verslaggever van de Volkskrant, staat in een portiek en noteert wat hij ziet. Hij zal het later vergelijken met een oorlogsgebied. Eén kraker doet wat niemand verwacht had. Frans de Wit, drieentwintig jaar oud, klimt op een rijdende tank. Hij heeft een stoelpoot in zijn hand. Hij gaat op de bovenkant van het voertuig zitten, in evenwicht op de pantsering, en weigert er vanaf te komen. Hij zal het later zelf zo beschrijven. De commandant van het peloton sommeerde mij eraf te komen, zegt hij. Hij dreigde met een wapenstok. Maar ik had een stoelpoot in mijn hand, dus ik deed alsof ik terug ging slaan. Toen gaf hij bevel om de linie te openen en vervolgens is dat ding op de barricades ingereden. We konden niet van die tank af zo lang dat ding vooruit reed. Pas toen de tank na de eerste botsing achteruit reed, konden wij eraf springen. Het beeld van Frans de Wit op de tank gaat de wereld over. Een jongen met een stoelpoot tegen een legervoertuig. Amsterdam tegen Den Haag. De jaren tachtig tegen de jaren vijftig. Het is een beeld dat blijft hangen. Tien minuten na het eerste binnendringen is de barricade weg. Het kwartier is voorbij. De Vondelvrijstaat heeft opgehouden te bestaan. Tegen halfacht trekken stadsreiniging en publieke werken de Eerste Constantijn Huygensstraat in. Vrachtwagens, kraanwagens, mannen met bezems. De rommel moet weg voordat het zes uur nieuws begint. Verbogen hekken worden afgevoerd. Verbrijzeld glas wordt opgeveegd. Restanten van bouwketen worden in containers gegooid. De omgeving lijkt op een rampgebied, zal een verslaggever schrijven. Een rampgebied dat binnen uren onzichtbaar moet zijn. Maar onzichtbaar wordt het nooit meer. Sinds de bevrijding in negentienvijfenveertig was zwaar militair materieel niet meer ingezet tegen Nederlandse burgers. Voor velen, links en rechts, voelt het als een ongekende breuk. Een breuk die niet te lijmen is. In Den Haag wordt het besluit verdedigd. Burgemeester Polak verklaart die ochtend tegen de pers: alle pogingen om door overleg een eind te maken aan de ongeregeldheden zijn mislukt. Daarom zal de politie op korte termijn een actie beginnen. De actie is dan al begonnen. De woorden komen achteraf. De gevolgen reiken verder dan iemand die maandagochtend kon overzien. Twee maanden later, op dertig april negentientachtig, wordt koningin Beatrix ingehuldigd op de Dam. De kraakbeweging heeft één leuze: geen woning, geen kroning. Tijdens de inhuldiging breken er ongeregeldheden uit. De Kroningsrellen. Traangas drijft de Dam over. Krakers en sympathisanten gooien stenen naar de Mobiele Eenheid. Politiebusjes branden. De televisieuitzending van de plechtigheid in de Nieuwe Kerk wordt geflankeerd door beelden van straatgeweld. Het is het meest tumultueuze koninklijke moment in de Nederlandse geschiedenis sinds de bevrijding. De voedingsbodem voor de Kroningsrellen ligt voor een groot deel in de Vondelstraat. Daar is de woede ontstaan. Daar is duidelijk geworden dat de overheid bereid is tot harde maatregelen. En daar is bij de krakers duidelijk geworden dat geweldloos verzet niet langer voldoende is. Of in elk geval, dat sommigen van hen dat vinden. De beweging splijt in heavo's en softies. Militante en niet-militante. Het zal de kraakbeweging in de jaren tachtig blijven verdelen. Wim Polak blijft burgemeester van Amsterdam tot juni negentiendrieentachtig. Daarna gaat hij naar de Raad van State, waar hij elf jaar zitting heeft. Hij overlijdt in negentiennegenennegentig in Ilpendam, vijfenzeventig jaar oud. Hans Wiegel blijft minister tot september negentieneenentachtig. Daarna wordt hij commissaris van de Koningin in Friesland. In tweeduizendvijfentwintig overlijdt hij in Sint Nicolaasga, drieentachtig jaar oud. Wijnand Duyvendak, in negentientachtig tweeentwintig jaar oud, blijft jarenlang actief in de actiebeweging. Hij wordt directeur van Milieudefensie. In tweeduizendtwee komt hij voor GroenLinks in de Tweede Kamer. In tweeduizendacht treedt hij af na ophef over een inbraak die hij in negentienvijfentachtig pleegde op het Ministerie van Economische Zaken. De Vondelstraat blijft een ankerpunt in zijn geschiedenis. De kraakbeweging zelf gaat na de Vondelstraat door op haar pad. Er volgen nog grote ontruimingen. De Lucky Luyk in negentientweeentachtig. Het Wijers in negentiendrieentachtig. Maar het tij keert. De publieke sympathie neemt af, vooral na gewelddadige confrontaties. Eind jaren tachtig is de beweging minder zichtbaar. In tweeduizendtien wordt kraken bij wet strafbaar gesteld. Een wet die de geest van de Vondelstraat formeel beëindigt. Even tussendoor. Vind je dit een interessante podcast? Abonneer je dan via Spotify, Apple Podcasts of naar welk ander platform je ook luistert. En heb je een vraag, opmerking of suggestie voor een aflevering? Mail ons: 15minuten@doorzetters.net. Wat als de tanks niet waren gekomen? De crisisgroep op Schiphol had andere opties op tafel. Doormodderen met de Mobiele Eenheid, peloton na peloton. Maar de ME was al verslagen. Onderhandelen met de krakers, hen een pand aanbieden, een compromis. Maar het was kabinetsbeleid om geen panden aan krakers toe te kennen. Wachten tot de Vondelvrijstaat zichzelf zou opheffen. Maar dat kon weken duren, en de stad lag stil. De tanks waren het symbool van een keuze. De keuze om de rechtsorde te herstellen ten koste van alles. Een keuze die werkte, op korte termijn. De barricades werden in tien minuten doorbroken. Maar op langere termijn betaalde de overheid een prijs. De Kroningsrellen volgden. Het wantrouwen jegens de overheid bleef. En generaties Amsterdammers zouden het beeld van Frans de Wit op een tank in hun hoofd dragen. Zonder de tanks was de kraakbeweging waarschijnlijk anders geëindigd. Misschien geleidelijker. Misschien zonder de radicalisering. Misschien met meer politieke verdienste. We zullen het nooit weten. De Vondelstraat ligt er nu rustig bij. Het pand op nummer tweeenzeventig is allang verbouwd. De Eerste Constantijn Huygensstraat is een gewone Amsterdamse straat met fietsers, bestelbusjes, terrasjes. Niets herinnert nog aan de Vondelvrijstaat. Geen plaquette, geen monument, geen straatnaambordje dat verwijst naar wat hier op drie maart negentientachtig gebeurde. Maar in de buurt wonen nog mensen die het meegemaakt hebben. Die zich herinneren hoe de tanks om zeven uur de hoek omsloegen. Hoe de helikopter cirkelde. Hoe Frans de Wit op de tank klom met een stoelpoot in zijn hand. Hoe de stad voor één ochtend ophield Amsterdam te zijn en iets anders werd. Iets dat we niet meer terug willen. Het beslissende kwartier in de Vondelstraat veranderde de kraakbeweging. Het veranderde de Amsterdamse politiek. Het veranderde de manier waarop Nederland over de eigen rechtsstaat dacht. En het herinnerde een hele generatie eraan dat democratie niet vanzelfsprekend is. Dat de afstand tussen overleg en geweld korter kan zijn dan we denken. Dit was Het Beslissende Kwartier, vijftien minuten die alles veranderden. Mijn naam is Julius van Rossum. Er is altijd een volgend beslissend kwartier.